Capels Dagblad | Jan D. Swart: ‘Valt er nog wat te lachen?’
mainImage

Jan D. Swart: ‘Valt er nog wat te lachen?’

20 maart 2020, 13:16 uur
Columns

Mijn angst om de pijp uit te gaan is altijd vele malen groter geweest dan van mensen om me heen. Niks nieuws voor intimi. Daarom was ik er met de voorzorgquarantaine snel bij. Eind februari heb ik voor ’t laatst iemand een hand gegeven. Daarna nog wel een paar sociale borrels in de stamlokalen, maar keurig militaristisch handen op de rug en een tafeltje er tussen. Vervolgens ondergedoken.

Sjiek hoor dat moderne onderduiken. Kinderen en kleinkinderen bezorgen de boodschappen tot aan de mat van de deur. Als we opendoen staan ze inmiddels op zes meter afstand te zwaaien. Op de Facebookpagina van m’n dochter zag ik ons weekhamsterlijstje voorbij komen: 14 flessen Merlot. Daar hebben haar internetvriendinnen erg veel lol om gehad zag ik aan de icoontjes.

De enige die mij kan besmetten is mijn vrouw. Zij laat namelijk de hond uit omdat mijn hond alleen door haar wil worden uitgelaten. Wel gebruik ik strikvragen om te weten wie ze onderweg is tegen gekomen. Na 48 jaar huwelijk is dat geen jaloezie. Dat is lijfsbehoud. Ook wil ik weten aan wie de hond heeft staan ruiken. De rol van de hond is zwaar onderbelicht in de crisis. Hoe zit dat bij een lockdown? Wij hebben een boomertje. Toen ik haar gisteren voor wilde doen hoe ze op de bak kon poepen liep ze beledigd weg.

Mijn kapper heeft me ook al afgebeld. De branche woelt niet langer door vreemde lokken. Groot gelijk. Maar ik mis kappers al jaren niet. Vroeger hadden we allemaal de keeper uit onze eigen voetbalclub. Dat was de laatste goeie. Daarna lulden ze allemaal uit hun nek en vervolgens in de mijne. Mijn ideaalbeeld van een kapper is een oudere Turkse man die ik niet kan verstaan. Maar die belde eergisteren af: ikke nie ziek worde.

Het klonk alsof ik een zwaar besmette ouwe verdachte Hollander was. Als ik het gesprek zou hebben opgenomen had ik de verhoudingen met Denk op scherp kunnen zetten. Maar mijn Turkse kapper is een gabber. Dat zijn verklaring heel raar z’n strot uitkwam neem ik voor lief. Ik wel. Kunnen die ruziezoekers van Denk nog veel van leren.

Mijn haar is trouwens bezien in het licht van mijn leeftijd het enige wat nog fors groeit. Ik zie er dus uit als een zeeman. Mij zal het een worst zijn, want er is toch niemand meer die verkering met me wil. Zelfs mijn eigen vrouw niet. Hoewel? We zijn nu weer een week onverwacht samen heel close. Ik had als verrassing bij bol.com ook spontaan een negligeetje besteld, want ze is bijna jarig. Maar toen PostNL belde deden we niet open. We doen voor niemand open en ik was de bestelling finaal vergeten. Op een achtergelaten briefje lees ik waar het is afgegeven. Ik hoop dat het product op de verpakking staat te lezen. Dan hebben de buren ook weer wat te lachen. 

Ondertussen zie ik met een huilend oog toe hoe arm Brabant en Limburg hun laatste Carnaval hebben moeten bekopen. Vroeger lebberde ik daar ook. En net als u ben ik me ook te pletter geschrokken van dat filmpje uit het Noord-Italiaans ziekenhuis. Ik hou me maar vast aan de ene zin van die ene arts die na 3245 doden in China vaststelde dat er donderdag geen enkele besmetting in die brandhaard was bijgekomen. Hij vond het daarom bezopen dat een collega in ons land 50.000 doden had geprognotiseerd. Corona als psychisch speelgoed voor de geile intelligentsia. Hoogtepunt na een zware medische studie: paniek zaaien bij Jinek. 

Kan de RIVM trouwens ook eens desinfecterend de genezingen publiceren. De voorlichting is nu wel erg van de wattenstaven, de Spiritusflessen, de ascorbinezuren en de overwegingen tot zelfmoord.

Dus vanavond allemaal kijken naar de Koning, want er moet wel wat te lachen blijven.