Capels Dagblad | Het uitshirt van Rotterdamse voetbalclubs
mainImage

Het uitshirt van Rotterdamse voetbalclubs

12 januari 2021, 00:21 uur
Columns

De uitshirts van onze profclubs veranderen ieder jaar van samenstelling en kleur. Dat dwingt de echte fans om ieder jaar zo’n peperduur shirt te kopen. Uitwringen zo’n citroen.

Toen ik als middelbare scholier naar school fietste, kwam ik altijd langs het café van Daaf Drok op het Mathenesserplein. Daaf was een oud voetballer van Oranje en het roemruchte RFC (Rotterdamsche Football Club) dat haar veld had tussen de spoorlijn en de Essenburgsingel: de favoriete club van mijn vader .

Toen we wat ouder werden, wilden wij jongens graag biljarten, maar Daaf Drok liet ons niet in zijn café spelen. Toen we binnen stapten, schudde hij zijn hoofd en wenkte met zijn hand naar de deur waar we net vandaan kwamen; duidelijker kon het niet. We hebben het slechts twee keer geprobeerd, want in onze tijd hadden ouderen nog gezag, zeker als ze goed konden voetballen.

Het café waar we wel mochten biljarten en zelfs een imitatie (citroenlimonade met een bierschuimkraag) konden bestellen was van Joop Wakker op de Oostkousdijk. Toeval, Joop Wakker was ook een gerenommeerde speler van RFC, maar wel één die ons gewoon liet biljarten en zelfs voordeed hoe je de keu moest vasthouden. Veel slimmer, want we gingen er vrijwel iedere dinsdagmiddag heen en ook toen we ouder werden en bier gingen drinken, sloegen we zijn café nimmer over. Overigens heb ik het biljartspel nooit goed onder de knie gekregen.

Ook met voetballen was ik geen uitblinker, zodat ik me beperkte tot het verboden spelen op straat. Wij deden dat op het Heiman Dullaertplein in Delfshaven, omdat daar een paar klasgenootjes woonden. Eén keer werd ik meegenomen naar het politiebureau, omdat ik onze bal op het dak schoot, voordat hij door de politie in beslag kon worden genomen.

“Schande, zeker ik als HBS’er moest toch beter weten”, meenden de agenten. Mijn vader haalde me op en vroeg aan de politie: “Wat moeten die jongens dan doen?”

“Laten ze naar een voetbalclub gaan” kreeg hij ten antwoord, maar daar waren de meesten al lid van. Ik werd pas lid van RFC toen ik wilde honkballen. Omdat we geen honkbalpakken hadden, kleedden we ons in het groen-witte voetbal shirt. “Staat je goed” meende mijn vader, die zich altijd RFC’er voelde, maar in mij een slechte voetbalzoon had.

Het was ook wel wat: groen-wit-groen verticaal gestreepte shirts, een groen broekje en horizontaal gestreepte groen-wit groene kousen: 100% Rotterdams!

In de kantine van honkbalclub Euro Stars in Capelle (sinds 1966 afgescheiden van RFC) hoorde ik het verhaal over de teloorgang van de oude legendarische club. Veranderde bevolkingssamenstelling in de buurt en steeds minder betalende leden. Ouders die niet bereid waren om iets voor de club te doen, zodat alles op dezelfde schouders rustte. Op een gegeven moment moest in 1997 faillissement aangevraagd worden. De schuld bedroeg slechts een paar duizend gulden, maar er viel niets meer aan te doen: de pijp werd aan Maarten gegeven. 

Ongelooflijk dat toen geen van de Rotterdamse profclubs de helpende hand uitstak en zich voor een habbekrats meester maakte van RFC om dat als een soort filiaal in de amateurcompetitie te laten spelen. De naam en zeker het groen-witte tenue waren dan bewaard gebleven.

Ik begrijp nog steeds niet waarom Rotterdamse clubs in hun uitshirts niet gewoon combinaties van de kleuren groen en wit dragen. Het liefst zelfs de hele uitdossing van RFC.

“Je komp uit Rotterdam; laat ‘t zien dan. Je schaamp je eigen toch niet?”

N.B. Het groen–wit–groen van onze Rotterdamse vlag is niets anders dan een symbolische voorstelling van de Rotte die tussen weilanden stroomt (blauw en groen vloeken, vandaar wit)